Dames en heren, lieve mensen,

Hoe vaak is het vandaag al aan u gevraagd: “Hoe gaat het er mee?” En hoe vaak hebt u zich al aan die vraag geërgerd (en nu bedoel ik niet vandaag maar in het algemeen)? Het kan natuurlijk heel goed gemeend zijn en iemand kan het oprecht aan je vragen, maar het kan ook zo gemakkelijk worden gevraagd met een ingebouwd of althans een verwacht antwoord. Nog erger is het als iemand je vraagt: “Alles goed?” Je kunt het nauwelijks nog een vraag noemen en de vrager zou raar opkijken als je zou zeggen: “Nou, nee, ik voel me beroerd.” Ik werd eens opgebeld door iemand en die vroeg: “Hoe is ‘t-ie?” Dan valt het niet mee om beleefd te blijven, althans dat viel mij niet mee.


Het wordt al anders als iemand vraagt: “Hoe gaat het nu met je?” Dan voel je al dat diegene geïnteresseerd is in jou en graag wil weten hoe het nu met je gaat, na al wat je hebt meegemaakt.
“Ja, ik kan me voorstellen hoe je je voelt,” hoor je ook wel eens. Ik heb dan altijd de neiging te zeggen – en soms zeg ik het ook wel eens -: “Wees maar blij dat je het je niet voor kunt stellen.” Een ander kan wel proberen zich voor te stellen hoe jij je voelt, maar op een bepaald moment houdt het voorstellingsvermogen op, gelukkig maar. Wij, zoals we hier zitten, kunnen ons voorstellen hoe onze buurman, onze buurvrouw zich voelt, maar zijn of haar gevoel kunnen we niet overnemen. Wat ik voel is het zwaarste dat er is en wat jij voelt is het zwaarste dat er is en wat je buurvrouw voelt is het zwaarste dat er is. En samen dragen we een onvoorstelbaar zwaar verdriet. De eerste keer dat mijn vrouw en ik een bijeenkomst van deze vereniging bijwoonden, was het alsof we door een muur van verdriet heen moesten om onze stoel te bereiken en waar je ook keek en wie je ook zag, je wist van het gemis. Maar gek, dat weten gaf ook verlichting alsof het waar is dat gedeelde smart halve smart is. Welnu, dit gezegd hebbende wordt het tijd dat ik wat over mij en mijn geschiedenis vertel.

Geschiedenis
Ja, ik zeg dat nu wel: ‘over mij en mijn geschiedenis’, maar hiermee bedoel ik natuurlijk mijn plaats in het verhaal dat ‘Maaike’ heet. We gaan terug naar woensdag 5 februari 1997. Maaike is afgestudeerd lerares basisonderwijs, schooljuffrouw dus, maar ze plakt er nog een jaar opleiding Speciaal Onderwijs aan vast. Ze loopt stage op de school ‘Het korhoen’ in Hengelo, een school voor kinderen van 12 tot 18 jaar met een verstandelijke beperking en in die tijd valt ze af en toe in op een basisschool. Zo ook op die woensdag 5 februari 1997. Na school komt ze even bij ons langs – ze woont zelfstandig elders in Hengelo – om een praatje te maken, wat ervaringen te vertellen en zomaar voor de gezelligheid.
Op 25 januari van dat jaar hebben we de 90e verjaardag van mijn moeder gevierd en bij die gelegenheid heeft een beroepsfotograaf een serie foto’s gemaakt, want je weet het bij die heel oude mensen maar nooit hoe lang ze er nog zijn. Juist die woensdag is er gebeld: de foto’s zijn klaar! En zo ga ik met Maaike, op de fiets, de stad in, we gaan de foto’s ophalen en – uiteraard – bekijken. Daarna winkelen we nog wat en tenslotte nemen we afscheid: ik ga naar de kapper en Maaike naar huis, onwetend van het feit dat dit een afscheid voor altijd zou blijken te zijn. Donderdag 6 februari staat Maaikes stageschool helemaal in het teken van het carnaval dat die avond door het personeel zal worden gevierd en de volgende dag door de leerlingen. Na afgesproken te hebben dat een paar collega’s en Maaike elkaar ’s avonds om half acht bij het station op zullen wachten, gaat iedereen naar huis. Maaike koopt onderweg nog een vloermop en gaat zich thuis omkleden voor het feest van die avond. Ze gaat als Pierrot. Diezelfde avond laat zit ik nog beneden wat te lezen met een glaasje wijn bij de hand. De andere drie kinderen en mijn vrouw zijn al naar bed. Dan gaat de bel en ik doe de deur open. Er staat een mij onbekende man voor de deur die vertelt een leerkracht van ‘Het korhoen’ te zijn en ik laat hem binnen.
Hij zegt: “Wij maken ons zorgen om Maaike”. “Maaike,” zeg ik, “die viert vanavond carnaval bij jullie op school.”
“Ja, maar daar is ze niet verschenen en volgens collega’s zou ze om half acht bij het station staan”. Hij vertelt over de onrust die er de hele avond onder de collega’s is geweest vanaf het moment dat niet duidelijk was waarom Maaike er niet was. “We hebben naar de politie gebeld, naar het ziekenhuis, maar er waren geen meldingen van een ongeval of zoiets binnengekomen.”
Toen heb ik mijn vrouw wakker gemaakt en gezegd wat er aan de hand was. Ik heb een sleutel van Maaikes flat en samen met die leerkracht zijn we naar haar flat gegaan. Daar stonden toen nòg twee collega’s die toch nog even gingen kijken voor ze naar huis gingen. We zijn naar binnen gegaan en daar zagen we Maaike liggen, op de bank, op haar buik, de armen op haar rug gebonden, haar benen aan elkaar, in haar bloeddoorlopen carnavalskleding. Ik ben meteen doorgelopen naar de telefoon, heb 06-11 gedraaid en gezegd: “Ik denk dat mijn dochter is vermoord”. Tegen de andere drie aanwezigen zei ik: “Hoe moet ik dit aan mijn vrouw vertellen?” waarop de man die bij mij aan de deur was geweest zei: “Dat hoef je niet. Dat doe ik.” Lieve mensen, u kunt zich denk ik voorstellen dat die avond tussen die vier mensen een band is ontstaan die nooit meer zal worden verbroken. En elk jaar komen zij op 6 februari, Maaikes sterfdag, en 26 september, haar geboortedag, bij ons op bezoek of er komt een reactie in een andere vorm. Wij zijn door deze gebeurtenis hecht met elkaar verbonden.

Slachtoffer van geweld

Zo, dat was de geschiedenis, een feitenrelaas, zo had het in de krant kunnen staan. Maar aan kale feiten hebben we zoals we hier met zijn allen bij elkaar zitten niet zoveel: mijn verhaal kunt u zo inwisselen voor uw verhaal. Graag word ik wat persoonlijker.

Over de Duitsers kun je een hoop aardige en minder aardige dingen zeggen, maar de Duitsers bestaan niet. Er zijn wel een boel Duitsers. Over de Joden kun je lang of kort praten, maar de Joden bestaan niet. Er zijn wel een boel Joden. Over de allochtonen kun je een hele boekenkast vol schrijven, maar de allochtonen bestaan niet. Er zijn wel heel wat allochtonen. Over de slachtoffers van geweld is al veel geschreven en gezegd, maar de slachtoffers van geweld bestaan niet. Er zijn wel veel geweldsslachtoffers. Er worden heel wat acties gehouden ten bate van slachtoffers van geweld en als we niet oppassen, worden ze nog een erkend goed doel, met een keurmerk van echtheid en wat niet al. U een kans, zij een kans. Je kunt het beter over een Duitser hebben, die je op vakantie hebt ontmoet; of een Jood die je nog kent uit de oorlogstijd, of over een allochtone jongen die je in de klas hebt gehad. En voor u staat een slachtoffer van geweld, een mens van vlees en bloed, die ook gewoon de afwas doet en brood bij de bakker haalt. Voor u staat een mens. Een mens met twee levens: een leven voor en een leven na. Zoals zovelen twee levens hebben: een leven van voor de oorlog en een leven van er na; een leven van voor de overstromingsramp en een leven er na; of, en dan wat vrolijker, een leven van toen je nog geen kinderen had en van nu. Merkwaardig, een kind verliezen, hoe en waardoor dan ook, is even ingrijpend, even aangrijpend, als een kind krijgen. Je wilt het wel van de daken roepen: ik heb een kind gekregen, zien jullie dat niet aan mij? Zo’n verandering brengt dat in je leven teweeg dat je alles anders bekijkt. Je wordt zelf als het ware opnieuw geboren. Je begint in ieder geval een nieuw leven, een ander leven. In het Frans is maar één woord voor zowel ‘ander’ als ‘nieuw’: nouveau. En als je kind sterft, hoe dan ook en waardoor dan ook, dan sterft er een stuk van jezelf. Als je ouders er niet meer zijn, ben je wees. Als je man sterft, ben je weduwe. Als je vrouw sterft, ben je weduwnaar. Maar als je kind sterft, dan zijn daar inderdaad geen woorden voor. Omdat dat dwars tegen de gang van de natuur ingaat. En als je kind is vermoord, dan wordt zelfs de natuur buiten spel gezet, dan heeft iemand zich moedwillig vergrepen aan waar hij af had moeten blijven: hij heeft een leven verwoest. Een leven? Formeel wel natuurlijk, maar er zijn meer levens laten we voorzichtig zeggen – beschadigd. Allereerst natuurlijk van de vermoorde zelf: Maaike, een jonge vrouw van 24 jaar, volop levend, bruisend, stralend, humeurig, verliefd en wat niet al – weg. Haar broers en zus – wat heeft het hen gedaan? Hoe gaat hun leven verder? Haar vrienden – zijn ook zij verminkt? Haar ouders – wat drijft hen nu nog voort? Drijft hen nog wel iets voort?
‘Hengeloër vindt vermoorde dochter’ stond er op vrijdag 7 februari 1997 op de voorpagina van Tubantia. Tjonge, wat verschrikkelijk, zal bij velen een van de eerste gedachten zijn geweest. En ‘Maaike Kuiper, dat kan niet!’ was bij velen de tweede gedachte. Nee, het kan niet, maar toch was het zo. Mijn vrouw heeft het van horen zeggen, want het is haar verteld. En ik heb haar gevonden, ik was die Hengeloër, die vader. ‘Ik denk dat mijn dochter vermoord is’, dat was letterlijk wat ik door de telefoon aan de alarmcentrale meldde. En later: ‘Het was verschrikkelijk, dàt ik haar gevonden heb, maar ik ben zo blij dat ík haar gevonden heb. Maaike was zoek en ik, haar vader, heb haar gevonden.’

Wankel
en onzeker
als een koorddanser
zonder ervaring
wiebel ik boven
mijn afgrond
als de koorddanser
boven
de zijne.

In de eerste uren

Ik was naar het politiebureau gebracht en daar heb ik zo nauwkeurig mogelijk verteld wat ik in Maaikes flat heb gezien. Er werd een proces-verbaal opgemaakt. Daar moet u niet van schrikken, het betekent gewoon dat er een geschreven verslag werd gemaakt van wat ik vertelde. Ik was mij zeer wel bewust van het feit dat er voor het vervolg van ‘de zaak’ veel afhing van wat ik daar vertelde. Zozeer was ik me bewust van dat belang dat ik de politieagente op de vingers keek om te zien of er geen fouten kwamen te staan. Na verloop van tijd zag ik mijn vrouw en de andere drie kinderen binnenkomen en een gevoel van veiligheid overviel me: “Gelukkig, we zijn weer bij elkaar!” “Wilt u gebruik maken van slachtofferhulp?” werd er aan mijn vrouw gevraagd. Slachtofferhulp? Wat zou die toe kunnen voegen in deze bizarre situatie? “Ja, dat is wel goed”, was haar antwoord. Later zou blijken van welke onschatbare waarde de medewerkster van die instantie voor ons zou zijn. We hebben op het politiebureau koffie gedronken, een shagje gerookt en tegen 6 uur – in de ochtend! – werden we door de politie naar huis gebracht. Daar hebben we wat tegen elkaar aan zitten huilen en zijn toen toch nog maar even naar bed gegaan. Om half acht hoorde ik de buurman naar zijn werk gaan. “Die weet nog van niets!” ging het door me heen. En: “Nu horen ze het op school.” Een van de mensen die met mij in de flat waren geweest had beloofd het op mijn school te zullen vertellen. Ja, en toen moesten we zelf de nodige telefoongesprekken voeren: familie moest worden ingelicht, de boekwinkel waar Maaike parttime werkte moest het weten, mijn broer en schoonzus die de foto’s van oma’s feestje zouden komen bekijken: “Luister goed, ik zeg het maar één keer. Maaike is dood en er is een misdrijf in het spel, maar komen jullie alsjeblieft!” Bijna vergaten we haar school – de Pabo – in te lichten. Wat een dag. ’s Middags kwamen er twee rechercheurs – we zouden ze nu familierechercheurs noemen – bij ons thuis om er achter te komen wie en wat Maaike was. “Hoe ging dat als ze thuiskwam: deed ze dan eerst haar jas uit of deed ze eerst de deur op slot?” Zulke vragen. Bij hun vertrek hebben we afgesproken dat ze elke dag aan zouden komen om te vertellen welke vorderingen er waren gemaakt, ook als helemaal geen vorderingen waren gemaakt. Deze mensen hebben ons door de eerste dagen heen gesleept en nu, ruim veertien jaar later, hebben we nog af en toe contact met hen. Eens kwam ik in die eerste dagen een van beiden tegen, hij draaide het raampje van zijn auto open en zei: “Er komt vandaag weer wat in de krant te staan!” Juist die zondag was er in verschillende kerken een dienst samen met een basisschool voorbereid. Voor de dienst waaraan mijn school meedeed had ik op die donderdagavond de gebeden geschreven die door enkele leerlingen zouden worden uitgesproken. Dat hebben ze ook gedaan, maar er zelf nog een tekst aan toegevoegd. We hebben later een bandopname van die kerkdienst gekregen. Je kon horen hoe zelfs de organist zich door de liederen heen moest worstelen.

Angst

(Het volgende gedeelte is een stukje uit mijn bijdrage aan het boek ‘Wraakgevoelens’)
Er gebeurt iets vreemds: we worden bang! Wat is er gebeurd? Hoe is dit gebeurd? Waarom is dit gebeurd? Wie zit hier achter?
Vragen, vragen, vragen. We voelen ons veilig, zolang we allemaal bij elkaar zijn. Gaat er iemand weg, dan vragen we: “Waar ga je naar toe?” Als we naar de bakker gaan, gaan we met zijn tweeën. Als we ’s avonds naar bed gaan, gaan we allemaal tegelijk.

Onze jongste dochter durft niet meer alleen te slapen en ze is al 17! Haar buurmeisje, haar hartsvriendin, komt bij haar slapen. Maar de slaapkamerdeur mag niet dicht. Onze oudste zoon is afgestudeerd leraar bewegingsonderwijs, maar nu tijdelijk brievenbesteller. Als hij ’s morgens naar zijn werk gaat, racet hij het gangetje achter het huis door en hij is al 26! Ons derde kind, student HEAO, zit wezenloos voor zich uit te staren en hij is al 20!

Op een gegeven moment, we zitten met een paar mensen aan tafel, wordt de keukendeur opengeworpen, onze jongste dochter komt met haar vriendin binnenstormen: “Er rijdt een auto heel langzaam door de straat. Dit is het autonummer.” En ze leest het nummer op. “O,” zegt iemand, “dat is de auto van mijn moeder, die vraagt zich af waar ik blijf.”

Een andere keer missen we haar plotseling en paniek maakt zich van ons meester: “Waar kan ze zijn?” Tot onze opluchting blijkt ze op de stageschool van Maaike te zijn om te kijken naar de tentoonstelling die daar door leerlingen ter nagedachtenis aan Maaike is ingericht.

Op een dag gaat de telefoon. De buurman heeft een collega gesproken en die vertelde dat hij Maaike op de woensdag voor de moord in de stad had gezien, ruziënd met een wat oudere man. Wat kon dat nou weer betekenen? “Vertel het aan de politie”, heb ik gezegd.

En wij, vader en moeder van Maaike? Wij halen ons van alles in het hoofd. Allerlei scenario’s spoken door ons heen en er verschijnen voor ons geestesoog verscheidene mensen die het gedaan zouden kunnen hebben. Van enkelen menen we het zelfs zeker te weten. Gedachten waarvoor we ons achteraf diep schamen: hoe hebben we het kunnen denken? Maar je kunt ze niet tegenhouden.

Tijdens de vele wandelingen die we maken, praten we en praten we, maar alle gesprekken cirkelen om de vraag wie het gedaan heeft en waarom. Zou iemand het op ons gemunt hebben en ons hebben willen treffen daar waar we het meest kwetsbaar zijn: onze kinderen? En: wie is de volgende? Nooit hebben we geweten wat doodsangst is, maar nu wel. De slaap moet met een half pilletje geholpen worden anders redden we het morgen niet. En morgen moet er weer zo veel gebeuren dat het ons bang te moede wordt.

Tijdens de uitvaartdienst bespringt ons soms de gedachte dat hij misschien wel in de kerk zit of straks langs de weg staat toe te kijken. We weten niet dat een leger van rechercheurs alle mensen observeert, dat er video-opnamen worden gemaakt bij de kerk, op de begraafplaats, rond het graf. Misschien moet je ook niet alles weten, we hebben al genoeg aan ons zelf, we hebben de handen er vol aan om zelf overeind te blijven, maar het valt niet mee. Ook de twee rechercheurs die elke dag (!) bij ons komen om de voortgang te bespreken – ook als er geen vooruitgang was, kwamen ze om dat te vertellen –, informeren naar de wat oudere man met lang krulhaar die met Maaike op de dag voor de moord in de stad gezien zou zijn. Na wat heen-en-weergepraat bedenk ik plotseling dat ik dat zelf moet zijn geweest, alleen klopte dat ruziën niet. “Ja, maar u hebt helemaal geen krulhaar!” Ook dat klopte, want ik was na met Maaike de stad in te zijn geweest naar de kapper gegaan. “Kijk maar, hier heb ik de kassabon nog!”

Intussen verschijnt in de krant het verhaal dat er iemand op videoband is herkend die op de bewuste avond geld gepind heeft bij het postkantoor en het station. Na twee weken komt er een eind aan de vernietigende angst. Op een avond komen de rechercheurs ons vertellen dat er zich iemand op het politiebureau heeft gemeld met een bizar verhaal. Hij heeft verteld dat hij inderdaad met Maaikes pinpas geld heeft gepind, maar dat hij die pas met de pincode had gevonden. Op datzelfde moment wordt hij gearresteerd wegens vermoedelijke betrokkenheid bij de moord op Maaike Kuiper.

Nog een week later bekent hij. Het is een Marokkaan die op legale manier in Nederland is gekomen, met een voetbalelftal, maar illegaal in Nederland is gebleven. Hij is verslaafd geraakt aan gokken en heeft zijn geld èn dat van zijn vrouw vergokt. Op een gegeven moment vertelt zijn vrouw hem dat zij een verrassing heeft: een reisje voor twee personen naar Marokko, maar je moet morgen wel f 200,- aanbetaling doen. En dàt is de oorzaak van het drama. Hij, een buurman van Maaike van een trappenhuis verderop in haar flat, is op pad gegaan om aan dat geld te komen. Hij ziet Maaike en belt bij haar aan. Maar Maaike wil naar het carnavalsfeest en heeft dus eigenlijk geen tijd. Ze heeft haar jas al aan. Als hij binnen is en haar naar geld vraagt, zegt ze dat niet te hebben. En dan gebeurt het vreselijke: hij bindt haar vast en onder bedreiging van een mes maakt hij haar haar pinpas plus pincode afhandig en brengt haar vervolgens op gruwelijke wijze om het leven. Anticlimax! Hij had f 200,- nodig en daarom heeft hij Maaike vermoord. Uit de bankafschriften bleek dat hij f 1000,- van haar rekening heeft gehaald. Om geld is het dus gebeurd. Kan het banaler?

Een eenzame vogel
hoog
in de lucht
ik wou
dat ik
die vogel was
ik zou
vrij zijn
een eenzame vogel
hoog in de lucht
is ook maar
alleen
en
alleen
ben ik nu ook wel
ik wou
dat ik mijn vleugels
uit kon slaan


Goede raad

Als je kapot bent door wat je is overkomen, dan leef je op de toppen van je zenuwen. Of anders gezegd: je leeft zo intens en zo intensief dat je hypergevoelig bent voor wat er tegen je gezegd wordt. “Joh, ga er eens op uit, dat is goed voor je.” “Ga een dag naar het strand, kun je lekker uitwaaien.” “Ga op vakantie, ver weg.” “Kom eens een keertje langs, onze deur staat altijd voor je open.” “Zoek eens wat afleiding.” En ga zo maar door. Elk woord is teveel, is je teveel. En het is allemaal zo goed bedoeld. Maar soms zou je willen dat die goeie mensen eerst eens nadachten voor ze wat zeiden. Een van de beste vrienden van onze oudste zoon kwam vlak na het gebeurde met Maaike om bij hem te zijn. Hij heeft uren in de kamer gezeten en geen woord gezegd. We hebben het er nog over. Job, de man uit het Bijbelverhaal, is alles kwijt wat hem dierbaar was en dan komen er drie vrienden op bezoek. Ze zwijgen, zeven dagen lang en hadden ze het daar maar bij gelaten. Maar nee, toen kwamen ze met verklaringen waarom Job dit moest overkomen. Ook goed bedoeld waarschijnlijk, maar Job komt er geen stap verder mee. In de bijlage Letter&Geest van Trouw stond op zaterdag 20 november 2010 een prachtig verhaal van Arie Kuiper – nee, geen familie! -, oud-hoofdredacteur van het voormalige weekblad De Tijd. Daarin gaat het over dood en over troost en over troost die er volgens sommige theologen niet is na de dood. Ik vind het nu niet de plaats en de tijd om over dit vraagstuk iets te zeggen, maar Arie Kuiper vertelt in zijn artikel ook over twee kinderen, zes en zeven jaar, die op een gruwelijke manier zijn misbruikt en vermoord. Arie Kuiper zegt ’s avonds voor het slapen gaan vaak aan hen te denken en aan de laatste uren die zij op aarde doorbrachten. En ook denkt hij dan aan hun ouders: waarom gebeurt dit met mensen? Waarom is dit deze mensen overkomen? Niemand die het weet. Het gebeurt. Het had ook zijn kleindochter kunnen overkomen. Hoort u wel dat Arie Kuiper probeert zich voor te stellen hoe iemand zich in afschuwelijke situatie moet voelen? Het lukt hem natuurlijk niet, gelukkig maar. Verderop schrijft hij over de gruwelen in Auschwitz, waarvan we vinden dat zoiets nooit meer mag gebeuren, maar het gebeurt wel en hij noemt Cambodja, Argentinië, Chili. Alphen aan den Rijn, zou je er nog aan toe kunnen voegen. Allemaal veel minder in omvang dan de moord op de zes miljoen joden. En dus minder erg, zo wordt er gezegd. Maar dat is niet waar en dan volgt er een zin waar ik diep van onder de indruk ben: “Maar het is niet minder erg, want het lijden van de gehele wereld is nooit groter dan het lijden van één mens.” Ik denk dat u en ik het hier volledig mee eens kunnen zijn.

Leven na de dood?

In oktober vorig jaar was er een tv-uitzending van ‘Schepper&Co in het land’ waar ik ook aan meegewerkt heb. Urenlang zijn we, een interviewer, een cameraman en een geluidsman bezig geweest. Op een gegeven moment stonden we bij de flat waar Maaike heeft gewoond en waar zich het drama heeft voltrokken. “Hebt u wel eens momenten gehad waarop u het absoluut niet meer zag zitten?” werd mij onder andere gevraagd. “Ja”, zei ik toen, “dat was een keer in de dagen na haar dood dat we tegen elkaar zeiden dat alles nu voor niks was geweest.” We bedoelden daarmee te zeggen dat wat we ook aan opvoeding, aan plezier en noemt u maar op, aan Maaike besteed hadden, dat dat allemaal voor niks was geweest, want ze was er niet meer. Maar die wanhoop heeft niet zo lang geduurd. Stel je eens voor dat je dat allemaal niet in je kind, je kinderen, zou investeren, wat voor iemand zou ze dan zijn geworden? Dat ze in zo veel levens nog steeds een rol speelt, dat heeft haar leven teweeggebracht. Natuurlijk, ook haar gewelddadige dood, maar toch meer nog haar leven. Alles wat je aan je kind besteedt, ja ook materieel, is een verantwoorde belegging. Dat klinkt wat zakelijk, maar u begrijpt hoop ik wat ik hiermee wil zeggen. Ze heeft niet voor niets geleefd. Ook zei ik voor de camera, maar dat kwam niet in de uitzending van 7 minuten, dat geen kind voor niets heeft geleefd. Uw kind heeft niet voor niets geleefd. Ook een kind dat nooit heeft geleefd, is er niet voor niets geweest. Het is verwacht, er is liefde aan besteed, het heeft voor blijdschap gezorgd, het heeft zorgen gebracht, het heeft spanning gebracht, het heeft verwachtingen gewekt, het heeft onpeilbaar verdriet gebracht. Maar u hebt er aandacht aan besteed en dat zou dan voor niets zijn geweest? Ik kan het niet geloven. Is er leven na de dood? Daar durf ik geen antwoord op te geven en wat ik er van denk – of geloof – is ook niet van belang: u zou het er mee eens zijn of u zou het er niet mee eens zijn en in beide gevallen waren we geen stap opgeschoten. In een kerkdienst had een dominee het er ook over en ik werd getroffen door een gedachte van hem: ieder leven is een leven na de dood. Als wij het over leven na de dood hebben, denken we eigenlijk altijd aan de overledene, maar het kan ook anders. Ooit was er een uitvaartverzekeraar die adverteerde met de vraag: “Is er koffie na de dood?” In eerste instantie klonk dat banaal, lasterlijk zelfs volgens sommigen. Maar tijdens die kerkdienst moest ik er toch weer aan denken en ik vond het niet meer zo banaal: hoe gaat het leven verder na de dood van een geliefde? Wie zijn ouders heeft verloren aan de dood, leeft na de dood van zijn ouders. Wie zijn kind heeft verloren, leeft na de dood van zijn kind. Zo is er leven na de dood. Ik vond dat in ieder geval een bevrijdende gedachte. Hij, die predikant, vertelde ook dat als wij, oud geworden zijnde, sterven de wens om te leven – hij had over ‘désire d’être’, de wens om te zijn – dat wij die wens om te leven doorgeven aan onze kinderen. Zouden onze overleden kinderen die wens-om-te-zijn ook doorgegeven hebben aan ons die leven na hun dood?

is er leven
na de dood
begin ik
weer klein
of ben ik daar
groot
is het er
fijn
of word je
gepijnigd
herenigd
met mensen
die je op aarde
niet kende
maar daar al
waren
jaren en jaren
hoe zal het zijn
leven na

dood


Alleen verdriet?
Mijn vrouw en ik, wij zijn lid van de VOVK, de Vereniging van Ouders van een Vermoord kind. Gelukkig de mens die nog nooit van deze vereniging heeft gehoord. Wij werden er op attent gemaakt na een televisieuitzending. Dan wordt er wel eens een telefoonnummer getoond voor een nagesprek. Ik heb gebeld en hoorde toen van die vereniging. We vonden dat we daar lid van moesten worden, niet omdat iemand dat zei, maar omdat we vonden dat we daar misschien iets konden betekenen.
Deze vereniging houdt verscheidene keren per jaar lotgenotenbijeenkomsten, in Leusden. Heel in het begin zijn we daar een keer naar toe geweest en kwamen uitgeput en vol emoties weer thuis. We werden getroffen door zoveel leed en zoveel verdriet, maar ook zoveel woede en boosheid en wrok dat we daar even niet meer tegen konden. We zijn pas vorig jaar weer een keer geweest, vlak voor de kerstdagen en het was goed. En ook vandaag is er weer zo’n bijeenkomst, maar ja, je kunt maar op 1 plek tegelijk zijn. De eerste keer waren we geschrokken van de verharding die er bij sommigen – hoe begrijpelijk ook! – was opgetreden, dat hadden we niet verwacht, maar gaandeweg hebben we dat toch wel leren begrijpen. Ik heb wel eens gevraagd of er bij de VOOK, hier dus, alleen maar verdriet en bij de VOVK, daar dus, behalve verdriet ook nog woede zou zijn. Maar die vraag deugt niet, heb ik geleerd. Kijk, bij de ouders van een vermoord kind speelt natuurlijk het feit dat er een – meestal – aanwijsbare dader, dat er in ieder geval iemand is die het gedaan heeft en die de oorzaak is van het verdriet en de boosheid. Maar waarom zou u niet boos zijn op de omstandigheden die u gemaakt hebben tot wat u nu bent? Misschien is er bij u ook wel een aanwijsbare oorzaak, of misschien zelfs wel een aanwijsbaar iemand. En boosheid kan ook zo lekker opluchten, denk aan de uitdrukking ‘Je hart luchten’. Dat kan heel bevrijdend werken. Maar ik denk dat het uitkijken wordt als er alleen maar boosheid is, zoals ik ook denk dat je moet uitkijken als er alleen maar verdriet is. Natuurlijk, verdriet is er altijd, het is niet iets als honger die weer over gaat als je wat eet. Verdriet is een constante in ons leven net zo goed als de vreugde voor onze andere kinderen - als die er zijn – een constante is. Dat is de prijs van de liefde. Een kind krijgen – je wordt er een ander mens van. Een kind verliezen – je wordt in even hevige mate een ander mens van. Hier mag je trouwens vraagtekens bij zetten: ben ik sinds de geboorte van mijn kind een ander mens? Ben ik sinds de dood van mijn kind een ander mens. Daar moeten we misschien nog maar eens over nadenken. Ik weet er in ieder geval geen duidelijk antwoord op.

het land
waar alles goed is
het land
dat mooie land
gelukkig
zal ik
in dat land
waar alles goed is
daar zal ik
gelukkig zijn
ik wou
o ja ik wou
dat dat land
bestond


Verdriet waarom?

Er was eens een jongetje dat zag dat zijn ouders verdriet hadden, want opa was overleden. Hij zei dat opa daar niets meer van merkte en dat ze dus eigenlijk verdriet om zichzelf hadden.
Daar zit wel wat in: we hebben verdriet omdat we ons kind missen, maar ons kind zelf merkt daar niets van, niets van dat verdriet, niets van onze pijn, niets van onze problemen bij het dóórleven. Het is ons verdriet, het is onze pijn, het zijn onze problemen. Maar toch – wat mist ons kind? We hadden zo graag gezien dat het opgroeide. We hadden het zo graag groot zien worden. We hadden ons kind zo graag het leven gegund. Maar dat kan niet meer en dat doet ons pijn. Hoe vaak overkomt het ons niet dat we denken: “O, dat moet ik aan Maaike vertellen.” En meteen daarop de wetenschap dat het niet meer kan. En daar zit misschien wel de pijn die we lijden: ons kind maakt van dit alles niets meer mee. Even bij ons zelf kijken: Maaike is niet de schooljuffrouw geworden die ze zo duidelijk leek te zijn. Ze is geen tante geworden van haar nichtje en neefjes. Ze maakt het niet mee dat haar kleine zusje gaat trouwen. Kijk, weer zo iets vreemds: haar kleine zusje! Maar dat kleine zusje is nu al 31 jaar, 7 jaar ouder dan Maaike ooit is geworden. En toch blijft ze zelfs voor ons gevoel het kleine zusje van Maaike. Dat komt natuurlijk doordat haar plaats in het gezin niet is veranderd: Maaike had een oudere broer, een jongere broer en een jonger zusje. En dat blijft zo. Alleen is haar leven stil blijven staan op 6 februari 1997 en het leven van alle anderen is doorgegaan. Ja, ook ons leven. Het is vaak een nietszeggende gemeenplaats als iemand zegt: “Ja, maar het leven gaat verder!” Daar moet iemand natuurlijk niet te gauw mee aankomen, want je gelooft het niet: het leven gaat verder? Kom nou. Het leven staat stil! En dat is ook zo. Maar er komt een moment, soms snel, soms na jaren, dat je plotseling merkt: “Hee, we leven verder!” Er kan zelfs een tijd komen dat je weer geniet van de dingen om je heen, dat je weer blij kunt zijn ondanks je verdriet. Want laten we eerlijk zijn: dat verdriet zal nooit over gaan, want ons kind komt niet meer terug. Maar als we beseffen dat wij het zijn die verdriet hebben en niet ons kind dat er niet meer is, misschien, heel misschien dat het ons dan ooit lukt om ons kind – onze kinderen - los te laten, dat wil zeggen ons kind daar te laten waar het is en waar wij geen zeggenschap meer over hebben. Zo gaat dat immers ook met onze andere kinderen? Ze leven hun leven en we zien het aan. We hoeven ons daar – meestal - geen zorgen over te maken, want we hebben ze losgelaten. Precies zoals toen ze nog klein waren en hun eerste stapjes zetten. Die lukten pas echt toen we ze loslieten. Onze kinderen, ze zijn er, allemaal, maar wel allemaal verschillend. We houden van ze, van allemaal, maar wel van allemaal verschillend. Alleen, aan dat ene kind zouden we dat nog zo graag eens laten merken en juist dat kan niet meer. En dat doet ons verdriet. Nu en altijd.

je buitenkant
toon je
iedereen
je binnenkant
toon je
niemand

ik ben je zo
dankbaar
voor dat
beetje
binnenkant
dat jij
mij
toonde
dank je


Overleven en/of doorleven?

Dames en heren,
Ik ben bijna aan het eind van mijn verhaal en ik wil graag nog even wat over het onderwerp van mijn inleiding zeggen. Misschien hebt u zich ondertussen al afgevraagd: “Wanneer begint ‘ie er nou eens over?” Eigenlijk hoop ik dat u, al luisterend, gemerkt hebt dat ik het over niets anders heb gehad dan over doorleven en overleven. Maar toch nog een paar woorden.
U en ik, wij leven allemaal door, hoe dan ook. U en ik, we hebben het ergste wat ons zou kunnen overkomen overleefd.
Ik hoop dat u aan mij hebt gemerkt hoe ik alles doorleefd heb wat ik, wat wij hebben meegemaakt. Het kan toch ook haast niet anders dan dat dit je raakt tot in het diepst van je ziel. Dat is doorléven! Het kan toch ook haast niet anders dan dat je na zoiets verschrikkelijks dóórleeft.
Het kan toch ook haast niet anders dan dat je terugkijkend tot de conclusie komt: “Hoe is het mogelijk dat ik dit overleefd heb?”
Ik eindig met een heel kort gedichtje dat, zoals alle gedichten in mijn verhaal, geschreven is door Maaike Kuiper:

de lucht
is donker
ik voel me
licht.

Om nu de gedachten wat te verzetten of om weer even op verhaal te kunnen komen kunt u nu luisteren naar Morceau de concours van Gabriel Fauré.