. “Betekenis is niet alleen wat de dichter in de woorden legt, maar ook wat wij, zijn lezers, uit zijn woorden opdelven.” (blz. 20). De mens als mijnwerker, wroetend in de aarde waaruit hij voortkwam – stof zijt gij, tot stof zult gij wederkeren – op zoek naar de zin van zijn bestaan. Een somber boek? Niet in het minst, zegt de schrijver, want als je dit leest, ben je er nog en kun je nog wat van je leven maken.
Taal is een wezenlijk kenmerk van leven, stelt Kuitert, aan de hand van gedichten van Philip Larkin en Willem van Toorn, “leven is onder woorden brengen van wat je voelt, ervaart, en daarmee betekenis verlenen aan wat je meemaakt.” (blz. 107).
Dat spreekt mij bijzonder aan. Worstelen met taal om de chaos van mijn verdriet en wanhoop na de dood van iemand van wie ik zielsveel houd, na de dood van mijn kind, onbegrijpelijk, niet te bevatten (‘Ze zeiden dat je dood was’ … ‘Dat kan toch niet, Pa?’ … Nee, dat kan eigenlijk ook niet, maar het is wel zo. En dat is het hem nou net! ).
“Onder woorden brengen = een wereld ‘van betekenis’ ontwringen aan de chaos.” En dichters zijn nodig om ‘versleten taal’, die ‘vanzelfsprekend’ is geworden, te vernieuwen; “om de taal weer nieuwe glans te geven”.
Op zijn beschouwingen over de gedichten in dit boek, past Kuitert consequent zijn in een lang leven verworven inzichten toe. Dat is niet verwonderlijk, want deze gedichten hebben hem op deze lange weg vergezeld. Door zijn hele oeuvre heen komen we ze regelmatig tegen.
Geloofstaal en de taal van mijn emoties is een andere taal dan de rationele taal waarmee de zichtbare, dagelijkse werkelijkheid om ons heen wordt beschreven. Die wereld draait door ook na onze dood, zoals Fernando Pessoa zegt, in het eerste door Kuitert geciteerde gedicht:
Wanneer de lente komt,
En als ik dan al dood ben,
Zullen de bloemen net zo bloeien
En de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vo-rig voorjaar.
De werkelijkheid heeft mij niet nodig.
Mijn verstand weet dat met de dood van mijzelf of van één van mijn liefsten de wereld niet vergaat; de rationele taal van mijn omgeving, van de onhandige troosters met o zo ‘verstandige’ dooddoeners: “Het leven gaat nu eenmaal door, hè?” Maar de taal van mijn hart, geloofstaal, de taal ‘van verbeelding’, zegt iets anders: het lijkt alsof de wereld vergaat als je je geliefde kwijtraakt, maar dat lijkt niet alleen zo, het is ‘echt’ zo. En dat vereist protest, zoals Edna St. Vincent Millay verwoordt, in het geciteer-de gedicht Dirge without music: “Maar ik ga niet akkoord. En ik leg me [er] niet bij neer.” (blz. 142 e.v.). En zeker niet wanneer het de dood betreft die er niet hoort te zijn, die van kinderen, de dood door een dom ongeluk, door moord en doodslag – “alles wat niet had moeten gebeuren en toch geschied.” Dan past het om troost te weigeren,
Rachel weigert zich te laten troosten, want haar kindertjes zijn dood. … [Dat] is ook een houding tegenover doodgaan en sterven; ze mag er wezen en heeft mijn onvoorwaardelijke sympathie. … Natuurlijk, weigeren je te laten troosten is vechten tegen de bierkaai: de mooisten, de jongsten, de liefsten, ze gaan allemaal. Maar zou je het daarom laten? Ik weet het, zegt de dichter, maar leg me er niet bij neer. Geweldig! Zet je schrap, sta pal, ga niet akkoord als een vader die een kind kwijtraakt, als een moeder die haar zoon begraaft, als een minnaar die zijn lover verliest.
(blz. 146-147).
Maar soms ontvang je dan toch, onverwacht, troost, zomaar als vanuit het niets, van een onbekende die onbekend blijft. Kuitert vertelt hoe, toen hij een aantal weken na de dood van zijn dochter Kaisa weer aan het werk ging, er een aardige student op hem afstapte, een Friese jongen, die hem een gedichtenbundeltje, In memoriam van Douwe Tamminga, overhandigde, geschreven ter nagedachtenis aan diens overleden zoon. Een van de gedichten neemt hij over in zijn boek. “Wat het gedicht voor mij bijzonder maakt, is de overhandiging zonder woorden, door die Friese student; ik neem het op als een late dankbetuiging aan ene uit het oog verloren gever.” (blz. 174.)
Maar naast die troost die zo hartverwarmend kan zijn, zoals de schrijver zelf heeft ervaren, besteedt hij ook aandacht aan de goedbedoelde ontroost van de omstanders die denken het precies te weten, terwijl uit hun woorden het tegendeel blijkt. Hij citeert Esther Jansma:
De tuinman: Ach, weet u,
daar blijft niets van over –
zo’n kleintje, denk-es in,
da’s toch alleen kraakbeen?
Zo’n kissie
(grote handen).
Nee, die kome niet meer,
denke liever aan iets leuks,
een nieuwe ofzo.
Geen dieper verdriet dan het verdriet om een kind; geen mens is zomaar te vervangen door ‘een nieuwe ofzo’. “Waar mensen vervangbaar zijn door andere mensen, is er iets mis met de emotionele relatie.” (blz. 211). Wat moet ik met mensen om mij heen die dat denken, doen alsof het ‘niets’ is, want ‘zo gaat het nu eenmaal in het leven’.
Wanneer een mens de leeftijd van de ‘sterken’ heeft bereikt, dan is ook het nadenken over ouderdom en de naderende dood voor de hand liggend, en over de pogingen om hem uit te stellen. Dat kan aanleiding geven tot een wat relativerende humor, na het lezen van een gedicht van Elisabeth Eybers hierover.
Alles wat er in een ziekenhuis wordt gesneden, gekraakt of ingedruppeld, is een vorm van leed toebrengen. Als je in het ‘gewone leven’ iemands buik opensneed, zou je voor jaren de gevangenis ingaan. Maar in een ziekenhuis is het om ‘bestwil’ zoals het heet, en je buigt je hoofd, het lijf en de leden, en laat de dokters begaan. (blz. 221)
Wat is het perspectief? Is er uitzicht op een leven na de dood, op een hiernamaals? Is de dood ons de baas of zijn wij de dood de baas? In tegenstelling tot wat zijn critici, die beweren dat Kuitert alle geloof over boord heeft gezet, zullen denken, probeert hij niemand zijn geloof te ontnemen. Maar je moet wel goed lezen, want het hangt er vanaf hoe je het verwoordt, welke betekenis je er aan toekent. Ik moest hierbij denken aan woorden van Martin Buber die ik eens las en die betekenis voor mij kregen:
Wij weten niets van de dood, niets anders dan het ene feit, dat wij zullen ‘sterven’ – maar wat is dat sterven? Wij weten het niet. Daarom past het ons aan te nemen, dat het het einde is van alles wat we ons kunnen voorstellen. Ons iets willen voorstellen, dat aan gene zijde van het sterven ligt, in de geest vooruit willen lopen op wat alleen de dood ons in het bestaan kan openbaren, lijkt mij als geloof vermomd ongeloof. Het echte geloof spreekt: Ik weet niets van de dood, maar ik weet, dat God de eeuwigheid is en ik weet ook nog dat Hij mijn God is.
Maar wat is er tegen op taal die toch probeert te verbeelden wat er ‘hierna’ komt? Niets, antwoordt Kuitert, er is ook niets op tegen het te hopen, of het te geloven, als je maar in de gaten houdt dat het taal is, ‘van verbeelding’. Mensen hebben het altijd gedaan, getracht betekenis te verlenen aan wat zinloos is. Maar hoe je dat ook probeert, je loopt stuk op de weerbarstige werkelijkheid: “Dat lukt dus niet, nooit is het gelukt om de dood van een zin te voorzien, en nooit zal dat lukken. Willen we er de baas over worden, dan moet dat anders.” (blz. 257).
Hij noemt zichzelf een sadducese christen. De Sadduceeen, getrouw aan de joodse traditie van het Oude Testament, geloven niet in een leven na dit leven. Dat betekent dat de zin, de betekenis van menselijk leven ligt in het hier en nu. Dat werkt Kuitert uit in de opbouw van zijn boek. Noemt hij het eerste deel De kunst van het sterven, het laatste deel, de apotheose, heet De kunst van het leven. “Leven leer je pas als je niet vergeet dat je doodgaat, als er mensen zijn die je daaraan herinneren – niet door ein-deloos de trom van de dood te roeren, maar door je aan te moedigen vandaag te kussen omdat het morgen niet meer kan.” (blz. 306). Alles wat je nog wilt doen, genieten en liefhebben, doe het hier, nu het nog kan. Kuitert roept daarbij in de laatste regel van zijn boek de dichter te hulp:
“Help ons, dichter, … leer ons zingen in de nacht, of wat frivoler gezegd: fluiten in het donker.”
Niet een makkelijk boek, maar het fascineerde mij, van de eerste tot de laatste regel.
Ide Wolzak
Wim ter Horst, toespraak herdenkingsbijeenkomst 20 jarig be-staan VOOK, geciteerd in: Ide Wolzak, En huilen doe je maar in de pauze. Worstelen met de taal van Rouw. Ten Have, Kampen2007 (2e druk), blz.31
H.M. Kuitert, Voor een tijd een plaats van God. Een karakte-ristiek van de mens. Ten Have, Kampen 2002, blz. 35.
H.M. Kuitert, Hetzelfde anders zien. Het christelijk geloof als verbeelding. Ten Have, Kampen 2005, blz. 48.
Een buitengewoon helder geschreven overzicht van de ontwik-keling van Kuiterts theologie staat beschreven in: Petra Pronk, Fluiten in het donker. In gesprek met Harry Kuitert. Ten Ha-ve, Kampen 2006.
Martin Buber, Sluitsteen. Lemniscaat, Rotterdam 1966, blz. 248.
|