VOOK Home
agenda nieuws contact broers & zussen brochures gelezen links
contact contact home
De taal van rouw, moeilijke woorden
 

Vrouwen en mannen rouwen niet hetzelfde

Generalisaties zijn ongewenst. Niet alle vrouwen zijn fijnzinnig, niet alle mannen rechtlijnig en grof. Een mens bezit verschillende kwaliteiten naast el-kaar, die op elkaar inspelen. In plaats van uitgaan van stereotypen lijkt het me vruchtbaarder om tel-kens weer uit te gaan van deze concrete persoon en van jezelf: hoe is het voor hem, hoe is het voor jou-zelf als rouw en verdriet je levensweg kruisen?

Marinus van den Berg
Niet ‘normaal’
In onze samenleving bestaan stereotype beelden van hoe mensen (behoren te) rouwen, wanneer iemand in hun naaste omgeving, iemand die zij liefhebben, sterft. Die vooroordelen kunnen soms diep ingrijpende gevolgen hebben. Wortman en Silver geven daar, in een artikel over de mythen die er over rouwen bestaan, een schrij-nend voorbeeld van.
In 1982 werd in de VS een man ter dood veroordeeld voor de moord op zijn twee dochters, die omkwamen in een brand die hij gesticht zou hebben. Een belangrijk deel van het bewijs bestond uit het feit dat hij vrijwel geen enkele emotie toonde, direct na de brand, wat als niet ‘normaal’ werd beschouwd wanneer blijkt dat je twee kinderen daarbij zijn omgekomen. De man zat 13 jaar in de dodencel voordat uit nieuw bewijs bleek dat hij de brand nooit kon hebben aangestoken.
Een dergelijke extreme situatie is gelukkig een hoge uit-zondering, maar ook uit de verhalen van ouders horen we vaak dat je het als rouwende in de ogen van je omgeving niet gauw goed kunt doen. “Ik moest ergens om lachen,” vertelde een moeder, “en kreeg direct de opmerking te ho-ren: ben je er nu al overheen?” Een ander kreeg na nog geen half jaar te horen: “Ben je er nu nog steeds zo ver-drietig? Hoe lang is het nu al geleden?”

Verschillen?
Opgegroeid in een samenleving die veelvuldig met gene-ralisaties en stereotypen werkt, hebben wijzelf ook dat soort beelden in ons hoofd en zullen we snel geneigd zijn om bijvoorbeeld de verschillen in rouw die wij constateren bij onze partners tot typische verschillen tussen mannen en vrouwen te reduceren, wat tot verwijten over en weer aanleiding kan zijn. “Mens, loopt toch niet voortdurend te ja… te huilen, je krijgt hem er toch niet mee terug.” “Zeg toch ‘s wat. We moeten praten. Ze is toch ook jouw dochter. Heb je eigenlijk wel verdriet? Mis je haar dan niet? Is er voor jou ook nog iets anders dan je werk?” Met dit in gedachten is het opmerkelijk dat er in veel on-derzoeksliteratuur maar weinig op verschillen in rouw tussen vrouwen en mannen wordt ingegaan. En voor zo-ver het gebeurt worden er relatief weinig (groeps)ver-schillen waargenomen.

Mannelijk of vrouwelijk
Toen psycholoog Martin en pastor en gerontoloog Doka een onderzoek gingen opzetten over mannen en rouw, veranderde deze in¬valshoek al snel in een veel bredere opzet. Want toen men poogde het begrip ‘mannelijke rouwpatronen’ te definië¬ren, merkte een vrouwelijke col-lega op dat daarmee precies de wijze waarop zij rouwde werd omschreven; haar manier van omgaan met verdriet. Men kwam tot de conclusie dat termen als ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ in verband met rouw vermeden dienden te worden, met name ook omdat er in de populaire literatuur veel misverstanden door ontstaan waren. Een vrouwelijke rabbi, die moeite had haar plaats te veroveren tussen haar mannelijke collega’s, vertelde: “Mijn hele leven moet ik vechten om mij niet te hoeven aanpassen aan die ‘mannenwereld’. Jullie omschrijven hier mijn wijze van rouwen. Gebruik nu alsjeblieft taal die mij niet opnieuw bij die mannenwereld inlijft.” Ook mannen gaven aan het niet prettig te vinden dat hun wijze van omgaan met ver-driet als ‘vrouwelijk’ werd bestempeld.

Van instrumenteel tot intuïtief
De onderzoekers zijn toen op zoek gegaan naar een for-mulering die niet gebonden was aan geslachtskenmerken (gender) en kwamen uit bij de begrippen ‘instrumenteel’ en ‘intuïtief’. Rouwenden die voor een ‘instrumentele overlevingsstrategie’ kiezen hebben de neiging hun emo-ties te temperen door actief te worden, door van alles te gaan doen, zaken te gaan regelen, op onderzoek uit te gaan. Zij die voor een ‘intuïtieve overlevingsstrategie’ kiezen rouwen door hun emoties direct te uiten, te huilen, te praten, ervaringen te delen en daarvoor steun bij ande-ren te zoeken.
De ervaring van verdriet is voor iedereen anders, ieders rouw is uniek. Vrijwel niemand rouwt òf op de instrumen-tele òf op de intuïtieve wijze, maar zal ergens tussen deze twee uitersten in zitten en ook regelmatig van strategie wisselen; nu eens meer oplossingsgericht en actief, dan weer meer direct emoties uiten, huilen, willen praten en dat willen delen met anderen. Want rouwen is een gevecht om te overleven en daarom geldt dat keuzen zelden be-wust worden gemaakt en modellen er vooral zijn om voor wetenschappers en hulpverleners enige duidelijkheid te scheppen over wat er daarbij nu eigenlijk wordt ervaren. Voor rouwenden zal dat veel minder functioneel zijn en in feite neerkomen op telkens weer tasten in het duister en moeizaam een strategie zoeken om de chaos trachten te bevechten; maar de ‘instrumentele rouwende’ kan er als onderdeel van een overlevingsstrategie wel haar of zijn kennis mee vermeerderen door als cognitieve activiteit zich in deze modellen te verdiepen. Ik denk daarbij aan de velen – en ik hoor daar zelf bij – zowel vrouwen als mannen, die zeiden: “Ik heb in het begin alles gelezen wat ik te pakken kon krijgen, wat met doodgaan en rouw te maken had. Ik wilde weten, mijn behoefte aan kennis was onverzadigbaar.”

Opvoeding
Waar komen die opvattingen dan vandaan dat er een typische mannelijke wijze van rouwen is en een typisch vrouwelijke? Die komen toch niet zomaar uit de lucht vallen? Martin en Doka stellen dat gender (geslachtskenmerken) wel van invloed is op hoe men rouwt, maar niet bepa-lend. Die invloed komt voornamelijk voort uit verschil-len in de manier waarop jongens en meisjes in onze sa-menleving worden opgevoed. De opvoeding is gericht op socialisatie, aanpassing aan de rollen die mannen en vrouwen geacht worden in de maatschappij te vervullen. Een onderdeel daarvan is wat er van je verwacht wordt als vrouw en als man bij het omgaan met emoties. Het gevolg daarvan is vaak dat mannen zich hulpeloos voelen tegenover het verdriet van hun vrouw, die haar emoties ruimschoots vrij baan mag geven, en vrouwen te-genover dat van hun man, die geleerd heeft zijn emoties voor zich te houden. Dat kan spanningen opleveren in een relatie, maar het is evenzeer een mythe dat de dood van een kind het risico op een scheiding enorm verhoogt en zelfs haast onvermijdelijk maakt. Het is simpelweg niet waar en uit onderzoek blijkt dat er eerder sprake is van het tegendeel, namelijk dat het scheidingspercentage aanzienlijk lager ligt dan het gemiddelde en dat de relaties vaker versterkt dan verzwakt werden.

Sociaal wenselijk gedrag
Opgevoed met dergelijke beelden en verwachtingen heb-ben veel mensen de neiging om zich daar ook naar te (gaan) gedragen. De gedachte: “Wat zullen de mensen wel van mij denken,” kan een ernstig storende factor zijn op de eerste intuïtieve uitingen van rouw. Met name man-nen hebben dan de neiging hun emoties te onderdrukken, want van hen wordt toch verwacht dat ze ‘sterk’ zijn en hun vrouw en kinderen tot steun zijn; dat ze het gezin overeind houden. Hun tranen de vrije loop laten gebeurt dan op plaatsen waar niemand hen ziet, op de wc, in hun hobbyruimte of in de auto.
Maar ook vrouwen kunnen daar moeite mee hebben wanneer van hen emoties worden verwacht, terwijl zij daar de behoefte helemaal niet toe voelen, maar graag actief zouden willen zijn, bezig zijn, iets doen, willen weten; op instrumentele wijze uiting aan hun rouw te geven. Het kan dan veel extra tijd vergen voordat rouwenden kunnen en durven over te gaan op de overlevingsstrategie die het beste bij hen past. Sommigen komen daar zelfs helemaal niet aan toe, omdat ze zo bezig zijn het beeld dat zij naar buiten uitstralen te beheren, dat ze het komen tot hun ware gevoelens daaraan totaal ondergeschikt maken, daaraan opofferen. Voor alle duidelijkheid: het kan hier zowel mannen als vrouwen betreffen.

Vloeiende lijn, continuüm
Uitgaande van twee duidelijke patronen, de instrumentele wijze van rouwen en de intuïtieve, en indachtig het feit dat ieders rouw uniek is, stellen Martin en Doka dat indi-viduele rouwenden ergens op de vloeiende lijn, het conti-nuüm, tussen die twee uitersten inzitten. Mannen bewe-gen zich vaker in de richting van de instrumentele rouw, vrouwen vaker in die van de intuïtieve. Maar een duide-lijk kenmerkend patroon dat typisch voor mannen of ty-pisch voor vrouwen is valt, in tegenstelling tot wat veel-vuldig gedacht wordt, niet vast te stellen.
Ieders rouw is uniek doordat we allemaal unieke personen zijn, net als onze kinderen. Ieder beleeft zijn kind daar-door anders en daardoor is wat we missen van ons kind ook voor elk weer anders en ervaren we dat ook op andere tijdstippen.
Niet het feit dat we vrouw of man zijn, maar het feit dat we verschillende individuen zijn is bepalend voor de wijze waarop we rouwen : mannen en vrouwen rouwen het-zelfde en dus heel verschillend.
Ide Wolzak
(www.taalvanrouw.web-log.nl)
 

Rouwdragen

Hoewel we weten dat na zo’n verlies de toestand van acute rouw minder heftig zal worden, we weten ook dat we ontroostbaar zullen blijven en we nooit een vervanging zullen vinden. Het doet er niet toe waarmee de leegte gevuld zal worden, al zou die helemaal gevuld worden, het zal altijd iets totaal anders zijn.
En eigenlijk hoort het ook zo te zijn, het is de enige manier om de liefde waarvan we geen afstand willen doen te laten voortbestaan.
Sigmund Freud
1

Taboe?
Er is geen tijd waarin zoveel geschreven, gesproken en gefilmd wordt over ‘de dood’. En met grote regelmaat wordt daarbij beweerd dat men dit doet om het taboe, dat de dood nog steeds zou omgeven, te doorbreken. Ook de KRO deed dit nog weer op Allerzielen door een onderzoek wereldkundig te maken waaruit volgens deze omroep bleek dat er nog steeds een taboe rust op ‘de dood’.

Onbegrepen rouw
Minke Weggemans2  schrijft over het unieke van en het gebrek aan aandacht en begrip voor rouw van broers en zussen om de dood van hun broer(s) of zus(sen).
Titia Liese3  schrijft over het unieke van en het gebrek aan aandacht en begrip voor de rouw van kinderen op latere leeftijd die (één van) hun ouders op jonge leeftijd verliezen.
Ouders bellen naar de hulptelefoon van de Vereniging Ouders van een Overleden Kind om hun hart uit te storten over het onbegrip van hun familie en kennissen, en hun wijdere kring van bekenden, voor hun verdriet om de dood van hun kind dat maar blijft duren; dat maar niet ‘verwerkt’ wil worden. Over het weigeren daar verder aandacht aan te besteden en het eindigen van vriendschappen.
Daan Westerink4  schrijft over hoe kinderen het verlies van hun ouders beleven, op hun eigen unieke wijze. Ook hier vaak onbegrip voor de hevigheid en het voortduren van het verdriet. Wat nou verdriet? Kinderen horen toch hun ouders te begraven? Ze hadden toch een ‘gezegende’ leeftijd bereikt? Hoe onderschat en onbegrepen is het verdriet van oude mensen op die gezegende leeftijd, wanneer na zoveel jaren samenzijn, de dood de scheiding ook werkelijk aanbrengt?
En hoe groot is het onbegrip, soms zelfs bij hen die zij als deelgenoot in hun verdriet beschouwden, voor ouders van kinderen die door zelfdoding om het leven kwamen: “Mijn kind heeft zo gevochten om in leven te blijven en jouw kind heeft er zelf een einde aangemaakt.” Hij wilde het toch zelf? Zij wilde toch niet verder leven? Is daar dan geen gevecht om het leven te behouden aan vooraf gegaan? Wie kan daar over oordelen?

Miskende rouw
Wordt de pijn en het verdriet om een miskraam niet erg vaak al te gemakkelijk weggepoetst met: “Ach het was nog zo pril, toch eigenlijk nog geen echt leven; neem maar gauw een nieuw kind.” Alsof er wat te ‘nemen’ valt; als dat zo was dan had het toch niet mis kunnen gaan? Nog erger: “Maak maar gauw een nieuw kind.” Kinderen kun je pas ‘maken én breken’ nadat je ze gekregen hebt.
Hoe miskend is de rouw na een abortus, euthanasie of het sterven van een kind met een niet of nauwelijks met leven verenigbaar gebrek? “Het is maar beter zo, had je dan gewild dat…” Nee, het enige wat ik wilde is dat mijn kind zou leven, gezond en gelukkig, vol toekomst! “Maar je wist toch dat ze dood zou gaan?” weten de on-troosters om je heen hun onbegrip te verwoorden voor de haast onmogelijke vermenging van ‘opluchting’, die je ervaart dat het lijden voorbij is, en je peilloze verdriet om het gemis, dat zo ondraaglijk voelt. Ja, dat wist ik, maar weten vooraf, is iets totaal anders dan weten achteraf, wanneer ik beleef, ervaar, voel dat mijn kind dood is; totaal anders!

Het zwijgen doorbroken
Steeds meer getuigenissen komen naar voren van ouders van wie het kind dat bij de geboorte, of kort daarvoor of daarna, is overleden, in stilte werd begraven, al of niet in aanwezigheid van meestal de vader, of simpel werd afgevoerd en verdween, zonder dat de ouders weten waar het is gebleven, wat er mee is gedaan. Niet alleen was het kind doodgeboren, maar daarna werd het ook doodgezwegen, zoals Corien van Zweden beschrijft in haar pas verschenen boek De kunst van het rouwen. 5
En wat te denken van de vaak totaal genegeerde pijn van ouders aan wie zelfs de troost van de hemel door de katholieke kerk werd ontzegd door hun ongedoopt gestorven kinderen naar het voorgeborchte te verbannen, tot de paus dit vorig jaar ophief – hij heeft kennelijk macht over de indeling van de hemel. Ontroerend is het verhaal van Huub Oosterhuis die zijn moeder troostte door dit al veer-tig jaar eerder te doen. 6

Onmogelijk af te sluiten
Elk verlies is anders en ieders verdriet, ieders rouw daarom is uniek. Rouw verwerk je niet, rouw draag je. Ook rouw dragen doet ieder op zijn eigen unieke wijze. Ieder legt zijn eigen weg af, en ook al ga je samen dezelfde weg en loop je naast elkaar, juist daardoor is het perspectief toch net iets anders, want de plaats die jij inneemt daar kan de ander net niet staan of gaan; al mag het verschil dan minimaal zijn. Of, zoals het beeld dat Manu Keirse eens schetste: verdriet is als een vingerafdruk; vingerafdrukken hebben gemeenschappelijke kenmerken en lijken sprekend op elkaar, maar ze zijn allemaal volstrekt uniek! Echter, de mensen om je heen zien het verschil niet, die zien meestal slechts een vlek die zo snel mogelijk weggepoetst moet worden.
Rouw verwerk je niet, rouw draag je. Rouw dragen doen velen, meer dan men over het algemeen denkt, hun leven lang. “Verdriet zie je niet, je bent het, soms went het, soms niet,” schreef dichter J.C. van Schagen na de dood van zijn moeder.
Leven met verdriet, een leven lang, daar is weinig begrip voor. Dat merk ik pas wanneer ik zelf zo’n rouwdrager ben geworden. En eigenlijk heb ik dan de neiging mij er-voor te schamen, want dit hoort niet, dit is niet gewoon. We zijn immers allemaal min of meer opgegroeid met het idee dat het ‘hoort’ òver te gaan. Als verdriet blijft duren moet je in therapie, je moet er vanaf zien te komen; rouw behoort afgesloten te worden.
Sinds de grote Freud, de uitvinder van de psychotherapie, dat aan het begin van de vorige eeuw heeft verkondigd, is dat idee maar blijven rondzingen in vrijwel alle rouwtheorieën die er sindsdien zijn bedacht, en in de rouwtherapie-en die daar uitzijn voortgekomen wordt er vaak nog steeds naar gestreefd. Ironisch genoeg getuigt Freud er zelf van, in het citaat dat boven dit artikel staat, dat het hemzelf niet lukte zijn rouw ‘af te sluiten’ na de dood van zijn dochter (en later zijn kleinzoon), en dat hij zelf ook inzag dat het zo behoort te zijn; de liefde voor je kind blijft altijd bestaan; de rest van je leven.

Taal
Mensen kunnen slechts met elkaar leven dankzij communicatie, het in contact treden met elkaar. Eén van de belangrijkste middelen die we daartoe hebben is de taal. Rouw heeft daarom ook altijd een zeer belangrijke – misschien wel de belangrijkste? – semantische7  component; rouw is altijd ook talig (niet uitsluitend!), heeft woorden nodig.
Huub Oosterhuis heeft het in dit verband over twee talen; de eerste taal is de alledaagse zakelijke taal, waarmee je boodschappen doet en wetenschap bedrijft, de tweede taal is de taal van alles wat eigenlijk niet in woorden is te vangen, de taal van de emotie, de taal van de dichter.

… een tweede taal, diep onder de eerste, als een veel oudere aardlaag, of wijd om de eerste heen. (…) De taal van wat eigenlijk niet te zeggen is. Die je spreekt om niet helemaal te hoeven zwijgen. De taal van de ontroering en de extase. Als het even ergens over gaat, over mooi of lelijk, fijn of ellendig, proberen en stotteren wij die taal; dan vallen redeneringen en definities en dogma’s uit onze handen en zoeken wij naar beelden en intuïties, kreten, aanroepingen: jij-mens, jij-god, jij-dood. 8

Taal kan troosten en taal kan pijn doen, taal kan problemen bespreekbaar maken of juist oproepen. Veel van de gebruikte ‘rouwtaal’ is zeer problematisch. Een (te) vaak gebruikt woord als ‘rouwverwerking’ bijvoorbeeld. Het is een woord dat een sterk ideologische lading heeft in onze samenleving. Als onder rouwen wordt verstaan dat verdriet of verlies ‘verwerkt’ moet worden, dan geeft dit woord aan dat het rouwen zelf ook nog eens ‘verwerkt’ moet worden; het ‘verwerken van het verwerken’. Of te wel: je verdriet moet en zal overgaan, onze samenleving staat niet toe dat er problemen zijn waarvoor geen ‘oplossing’ is; dat er rouw bestaat die niet ‘afgesloten’ kan worden.

Taalfout
Het lijkt me zoiets als een timmerman die zijn hamer ‘verwerkt’ in de tafel die hij maakt; maar daarmee raak je wel je gereedschap kwijt waarmee je verder moet zien te leven. Dit woord is daarom een taalfout! Het is een contaminatie, een foutieve samenvoeging van twee woorden die eenzelfde betekenis hebben, net als ‘optelefoneren’.
Het is een eisend, een dwingend woord; verdriet moet en zal, liefst zo snel mogelijk, over zijn! Maar dat klopt niet, het kan niet, en wat niet kan is nog nooit gebeurd, zoals Wim ter Horst schrijft: “Voorop staat dat een zwaar verlies nooit kan worden verwerkt.”9  Verwerken kun je alleen een simpele teleurstelling, verlies van een wezenlijk deel van je zelf (Ik-verlies), of het verliezen van je hele bestaanszekerheid – de wereld is vergaan! – blijft je altijd bij, je leven lang.10  Je bent voor altijd beschadigd in de kern van je bestaan, gewond in je hart dat er voor moet zorgen dat je niet in stukken uit elkaar valt.
Een leven lang moet er dan telkens opnieuw weer gerouwd worden, bij elke belangrijke gebeurtenis wordt het verdriet, de pijn, geactiveerd, het gemis in alle hevigheid ervaren. Zoals de dochter doet die haar moeder mist wanneer ze zelf moeder wordt; zoals de ouders doen die hun kind missen wanneer een van hun andere kinderen trouwt; zoals ‘onzichtbare’ ouders doen wanneer een neef of nicht vader of moeder wordt en zij zich opnieuw realiseren dat zij nooit grootouders zullen worden; zij hebben geen kinderen meer in leven.
Dat is het grote taboe in onze samenleving, daar mag niet of nauwelijks over gesproken worden. Want dat er ver-driet is dat niet verdwijnt, dat hoort er niet te zijn, dat hoeft er niet te zijn, daar hebben we immers therapieën voor die een einde brengen aan onze rouw.
Pas wanneer ik het zelf beleef ga ik geleidelijk aan begrijpen dat er verdriet is dat altijd met je meegaat, zoals Freud, die het idee dat rouw moet worden afgesloten de wereld instuurde, bemerkte na de dood van zijn eigen dochter en kleinkind.

Afpakken
Het gebruik van woorden als ‘verwerken’ bevestigt dit soort misverstanden, houdt het onbegrip voor hen die rouwen, ook nog jaren nadat degene van wie ze zo zielsveel houden is overleden, in stand, bevestigt het. Het kan mij als rouwende tot het onderdrukken van mijn verdriet brengen, want het leert mij dat het hoort ‘over’ te gaan. Ik ben niet normaal wanneer ik merk dat dat niet het geval is. Mijn familie en vrienden hebben gelijk, ik moet ‘professionele hulp’ gaan zoeken, ik moet ‘verwerken’.
En ondertussen verschijnen er steeds meer boeken, die een nieuwe groep mensen met een niet erkend verdriet ontdekken, verwaarloosde, verzwegen, verlate, uitgestelde rouw. Terwijl ook in die boeken vaak taal wordt gebruikt die het door de auteurs gesignaleerde onbegrip bevordert.
En steeds weer nieuwe therapeuten bieden zich aan om te proberen dat allang als onhaalbaar erkende Freudiaanse doel te bereiken, mij mijn rouw te laten beëindigen, mijn unieke verdriet af te pakken. Dat kan mij tegelijkertijd de mogelijkheid ontnemen om weer nieuwe vreugde te genieten die ik naast mijn blijvende verdriet ervaar; de ene emotie onderdrukken en tegelijk de andere toelaten is in feite onmogelijk, want ze hebben alles met elkaar te maken!
Rouw verwerk je niet, rouw draag je, soms je leven lang.

Ide Wolzak
 


[1] Uit een brief aan Ludwig Binswanger, na de dood van diens zoon, die Freud schreef op de 36ste geboorte dag van zijn overleden dochter. Geciteerd in: Therese A. Rando, Treatment of Complicated Mourning. Research Press, Champaign, Illinois 1993, blz. 81.

[2] Minke Weggemans, Broederziel alleen. De dood van een broer of zus een plaats geven. Uitgeverij Kok, Kampen 2005.

[3] Somajeh Ghaeminia, Moeders zonder moeder. Trouw 15-11-2008

[4] Daan Westerink, Leven zonder ouders. Ten Have, Kampen 2007.

[5] Corien van Zweden, De kunst van het rouwen. Een persoonlij­ke geschiedenis Uitgeverij L.J.Veen, Amsterdam 2008

[6] Marc van Dijk, ‘Goed nieuws: de kinderen zijn in de hemel’, Trouw 1-11-2008 (Zie de rubriek Gelezen)

[7] Semantiek is de leer van de betekenis van de taal, van woorden en zinnen.

[8] Huub Oosterhuis, In het voorbijgaan. Ambo, Utrecht 1968. Blz. 237-238.

[9] Dr. W. ter Horst, Nieuw licht. Over liefhebben, opvoeden en troosten. Kok, Kampen 1997. Blz. 117.

[10] Dr. W. ter Horst, Nieuw licht. Blz. 72.

 

Verliezen

Op een dag stelde een nieuwe begeleider zich voor tijdens onze maandelijkse stafvergadering. Terwijl zij ons vertelde over haar eigen rouwervaringen, zei ze: “Deze zomer verloren wij onze moeder.” Achter uit de kamer klonk de duidelijk herkenbare stem van pastor Wendt: “Wààr heb je haar verloren?” De nieuwe begeleider keek alsof ze door de grond wilde zakken. Bill had ons iets duidelijk gemaakt op een wijze zoals alleen hij dat kan: mensen ‘verlies’ je niet; mensen sterven.
Thomas R. Golden


Verzachtende taal

“Ik heb een hekel aan het woord ‘verliezen’,” legde hij me uit. “Wat ik verlies kan ik toch ook weer terugvinden? Dus ga ik er naar zoeken. Maar mijn dochter kan ik niet terugvinden, die is gestorven, die is dood. En ‘verliezen’ is daar niet het juiste woord voor. Dat geeft niet weer wat er gebeurd is, het verzacht de harde werkelijkheid, het is een eufemisme.”
We gebruiken vaak van die verzachtende termen om iets over de vaak keiharde werkelijkheid te vertellen. Wordt alles daar iets draaglijker door? Het toppunt vind ik altijd de wijze waarop mensen over dieren spreken, tot in de officiële berichtgeving, als de journaals op radio en televisie toe. Dieren worden daarin niet doodgemaakt, maar men laat ze ‘inslapen’. Of wanneer je het heel imposant wilt laten klinken, dan worden zij ‘geëuthanaseerd’.
Verliezen is in dit verband een lastig woord. Het wordt veel gebruikt en in heel veel verschillende betekenissen. En dat kan grote misverstanden oproepen. Want niet iedereen gaat “in zijn leven door een bestaancrisis heen en daardoor is er vaak zoveel onbegrip en onjuiste inschatting.”  Of, heel simpel: het ene verlies is het andere niet.

Een slecht verliezer
Bijzonder illustratief hiervoor is een artikel, getiteld Verliezen kun je leren, van de hand van een van de redacteuren van de Leeuwarder Courant.  De openingszinnen alleen al geven de indruk dat de journalist geen flauw benul heeft van waar hij over schrijft. Totaal verschillende begrippen gooit hij op één hoop. Homoniemen noemen we dat, woorden die hetzelfde gespeld worden, hetzelfde klinken, maar iets totaal anders betekenen. Zeven(!) kent Van Dale er van het woord verliezen; zeven verschillende betekenissen! De schrijver van dit artikel over verliezen(!) lijkt geen benul te hebben van het verschil tussen verliezen en verliezen:
“Een spelletje kaart, een voetbalwedstrijd, een baan, een be-legging, een naaste, wie het tegen zit, kan zo het ene na het andere verlies lijden. Een zwaar leven voor wie niet tegen zijn verlies kan. Tenzij hij zijn leven betert: verliezen kun je leren.
De Amerikaanse oud-basketbalcoach John Wooden is een man van eenvoudige stelregels: kom nooit aan met excuses en klaag niet. Het antismoesjesbeleid verplicht een persoon eerst de fout bij zichzelf te zoeken in plaats van snel voor een uitvlucht te kiezen. Daar leer je voor een volgende keer weer van. ”
Alsjeblieft, dat staat er! Recht voor z’n raap! Word je er maar van bewust dat je een slecht verliezer bent, wanneer je niet tegen je verlies kunt! Je moet niet zo zeuren!
Alleen, dit moet je niet zeggen tegen mij, een vader wiens jongste zoon op negenjarige leeftijd aan een hersenbloeding is overleden. Ik speelde geen spelletje kaart of een voetbalwedstrijd (verliezen: niet de beste worden), werd niet ontslagen uit mijn baan (verliezen: kwijt raken, afpakken), mijn aandelen zakten niet (verliezen: waardevermindering), nee, ik verloor mijn kind aan de dood! Ver-liezen is hier: doodgaan, kwijtraken in de meest extreme vorm; niet goed te maken, niet terug te vinden of terug te winnen. Het gaat hier om nooit meer, voor altijd, het gaat hier om levenslang!!
Ik kom hier in een existentiële crisis terecht, een bestaanscrisis, een crisis waarvan je je maar moet afvragen of je in staat bent die te overleven; en er is niemand op de hele wereld, of ze nu basketbalcoach zijn of psycholoog, die mij kan leren een kind te verliezen. En dat is een verdomd zwaar leven, te leven met dit verlies, en dat je dan het lef hebt te suggereren dat ik niet tegen mijn verlies kan: dan val ik in mijn verbijstering om zoveel onbenul maar terug op bijbelse taal: “Vader vergeef het hem, want hij weet niet wat hij zegt.” Inderdaad, ik kan niet tegen mijn verlies. Maar wie kan dat wel “wanneer het verdriet hem [treft] dat eeuwig bij hem blijft”? 
Maar ook de titel van het artikel klopt al niet: Verliezen kun je leren. Niet goed over nagedacht! Waarom zou ik (moeten) leren te verliezen? Welke sportcoach zal zijn team leren te verliezen? Hij moet ze toch leren om te winnen? Dat is toch zijn doel, zijn streven; daar is hij voor aangenomen! Een coach als John Wooden, die een ‘pira-mide van het succes’ schijnt te hebben ontworpen, heeft het over zo’n totaal ander soort verlies dan het mijne, dat ik absoluut niet zou weten wat ik daarmee moet om mijn verlies draaglijker te maken; want het verliezen van een sportwedstrijd komt zelfs in de verste verte niet in de buurt van mijn ‘verlies’, van het verlies aan de dood van iemand van wie je zielsveel houdt.

Valkuil
Deze journalist is in een valkuil getrapt waar hij zich op geen enkele manier weet uit te redeneren in dit artikel, omdat hij alle soorten van verlies op een hoop gooit en denkt dat ze alle zijn op te lossen met behulp van eenzelfde ‘rouwmodel’, alsof je ook om het verliezen van een spelletje kaart of voetbal zou moeten rouwen! Hier gaat zelfs de uitdrukking van appels met peren vergelijken niet op, want een appel en een peer zijn in ieder geval beide nog vruchten.
Het was prof. dr. Wim ter Horst  die al jaren geleden voor deze valkuil waarschuwde: er is een wezenlijk verschil tussen een (eenvoudige) teleurstelling (wanneer iets heel anders gaat dan waar jij je zinnen op hebt gezet), Ik-verlies (waarin je een wezenlijk deel van jezelf kwijtraakt) en onvervuldheid van het bestaan (de ervaring dat je hele bestaan totaal zinloos is, de wereld is vergaan, waarvoor leef ik nog?).
Een teleurstelling is te ‘verwerken’, maar Ik-verlies en onvervuldheid blijven een mens zijn hele leven bij. Wat de schrijver van dit artikel hier probeert – en wat vele mensen steeds weer proberen wanneer zij met haast ondraaglijk verdriet van mensen om wie zij geven geconfronteerd worden en dat zij maar moeilijk kunnen aanzien – is, elk verdriet proberen te reduceren tot een teleurstelling: “Kom op, ga d’r eens even lekker tussen uit. We maken allemaal wel ’s wat mee. Er zijn ergere dingen.” O ja?
“Wie goed zijn best doet – menen deze on-troosters – veel bidt, een programma volgt of een therapie ondergaat, kan de ellende grondig verwerken, zoals een shredder een autowrak: ‘Klaar!’
Als het niet lukt zeggen ze dat de lijdende zijn leed koestert. Of, dat klinkt heel professioneel, ze laten psychiatrische termen op hem los, als frustratie, fixatie en regressie.
Wat een godslasterlijke onbenullen. Alleen de eenvoudige teleurstelling kan worden verwerkt.” 

Rouwen: steeds opnieuw
Wist tot voor kort iedereen die iets van Kübler-Ross gelezen had precies hoe rouw in elkaar zat, hoe ‘het werkte’, de ene fase volgde (automatisch) de andere op en na verloop van tijd was dan je ‘rouwproces’ voltooid, je had je geliefde losgelaten, zijn dood geaccepteerd en kon doorgaan met je leven, alsof alles weer was als voorheen; tegenwoordig zweert vrijwel elke rouwtherapeut bij het takenmodel van William Worden. 
Volgens de schrijver probeert psycholoog Jos de Keijser met dit model mensen over hun verlies ‘heen te helpen’, want, zoals De Keijser zegt: “Elk verlies is een krenking. Er wordt iets van je afgepakt. Wij proberen als psychologen die krenking weer ongedaan te maken, de schade te herstellen.'.
Wat tegenwoordig in vrijwel elk verhaal, elk boek over rouw, zeker wanneer het rouw om overleden kinderen betreft, of het nu wetenschappelijk is of ervaringsliteratuur, als een vast refrein terugkeert is: “Het gaat nooit over, je komt er nooit overheen.”   Deze ‘krenking’ is niet ongedaan te maken, deze ‘schade’ is niet te herstellen; het verlies van een van je liefsten valt niet te ‘verwerken’! Kristien Hemmerechts verwoordde dat heel duidelijk en treffend: “De enige therapeut die ik wil ontmoeten is de therapeut die mij die kinderen teruggeeft en dat kan die niet. Dus is zulk een therapie voor mij bij voorbaat een maat voor niets.” 
De rouwtaken worden in dit krantenartikel, niet geheel in overeenstemming met wat Worden zelf schreef, nogal erg kort door de bocht geformuleerd, weergegeven. En ook bij dit model van Worden, worden door diverse rouwonderzoekers min of meer kritische kanttekeningen geplaatst. 
Wat ik in ieder geval nooit zal doen, en wat Worden in zijn eerste taak ook niet stelt(!), is het accepteren, het aanvaarden van de dood van mijn kind. Die dood ìs namelijk onacceptabel, totaal onaanvaardbaar! Daarmee ben ik niet aan het ontkennen, ik aanvaard niet; aanvaarden is wezenlijk iets anders dan erkennen.  En ik rouw daardoor niet chronisch, maar wel, wanneer er belangrijke situaties in mijn leven zijn die daarom vragen, telkens weer opnieuw. Bij elke belangrijke gebeurtenis in mijn leven is er steeds weer die lege plaats, is er dat gemis. Dat zal de rest van mijn leven zo blijven.

‘Krenkend’
Nee, verliezen kun je niet leren! En zeker niet het verliezen aan de dood van iemand van wie je zielsveel houdt, voor wie dat veel te zwakke woord ‘dierbare’ niet in staat is weer te geven wat ik aan liefde voel; verliezen kun je niet leren wanneer het gaat om het zwaarste verlies in iemands leven (en om elk misverstand te voorkomen: ik bedoel hier niet alleen het verlies van een kind!).
Voor mensen die dit verlies geleden hebben, is dit krantenartikel uitermate pijnlijk en ‘krenkend’, omdat het één grote ontkenning is van wat rouwenden moeten doorworstelen, een ontkenning van hun verdriet; en uit het gehele betoog blijkt dat de schrijver daar geen flauw benul van heeft.
Verliezen kun je niet leren! Misschien, met heel veel pijn en moeite en ten koste van veel tranen en strijd, kun je le-ren er mee te leven. En dat is dan al heel wat.


Ide Wolzak
 

 
       
 
 
Created and sponsored by DiVa B.V. - Digital Value Internet Professionals